Samenvatting Stenen

Aardwetenschappen • 1ste Bachelor Bio-ingenieur

Hoofdgroep 1

Magmatisch Gesteente

Intrusief

Stenen die zijn ontstaan door trage stolling van magma in de aardkorst. Onderscheidbaar door duidelijk zichtbare kristallen.

Kleurindex & Samenstelling (Felsisch naar Ultramafisch)

Licht (Felsisch, ~70% SiO₂)Donker (Ultramafisch, <45% SiO₂)
Felsisch • Zeer licht
Intermediair-Felsisch
Intermediair • Peper & zout
Mafisch • Donkergrijs
Ultramafisch • Zeer donker
Afkoelingssnelheid & Kristalgrootte

Intrusief

Trage afkoeling • Grote kristallen

Extrusief

Snelle afkoeling • Kleine kristallen

Extrusief

Stenen die zijn ontstaan door snelle stolling van lava aan de oppervlakte. Onderscheidbaar door kleine kristallen.

Kleurindex & Samenstelling (Felsisch naar Mafisch)

Licht (Felsisch)Donker (Mafisch)
Felsisch • Licht
Intermediair-Felsisch
Intermediair
Mafisch • Donker

Obsidiaan

Steen ontstaan door extreem snelle afkoeling (afschrikking) van taaie lava. Onderscheidbaar door amorfe, glasachtige textuur en schelpvormige breuk.

Pyroklastisch (puim & scoria)

Stenen die zijn ontstaan door explosieve vulkaanuitbarstingen; gasbellen vormen talrijke holtes (vesikels) waardoor ze zeer weinig wegen.

Kleur & Samenstelling (Gasrijk & Lichtgewicht)

Licht (Felsisch / Drijft op water)Donker (Mafisch / Zinkt)
Felsisch • Wit / Lichtgrijs
Mafisch • Donkerbruin / Zwart

Pyroklastisch (blokken & bommen)

Grote fragmenten (>64 mm) uitgestoten tijdens explosies, diagnostisch onderscheiden op vorm: rond vs hoekig.

Vormonderscheid: Rond vs Hoekig

Vulkanische bom

Klodder vloeibaar magma die tijdens de vlucht door de lucht roteert en afkoelt tot een afgeronde aerodynamische vorm.

Vulkanisch blok

Brokstuk reeds gestold gesteente dat bij een explosie mechanisch werd versplinterd en weggeslingerd.

Pyroklastisch Lapilli

Vulkanische klasten van 2 tot 64 mm (“steentjes”). Vaak ingebed in vulkanische as.

Pyroklastisch (as & tuf)

Fijnkorrelig vulkanisch materiaal (<2 mm). Vulkanische as is los poederig zand. Tufsteen (astuf) is geconsolideerde, samengeperste as die overgangsvormen naar sedimentair vertoont.

Los sediment (<2 mm)
Geconsolideerde astuf

Complete CatalogusMagmatisch

Hoofdgroep 2

Sedimentair Gesteente

Detritisch (psefieten)

Grofkorrelige sedimenten (>2 mm). Onderscheidbaar door transportafstand en mate van afronding.

Verwering & Transport: Hoekig vs Rond

Breccie

Kort transport: dicht bij de bron afgezet (puinhelling, breukzone); fragmenten behouden scherpe hoeken.

Conglomeraat

Langdurig transport: door rivierstroming of branding langdurig over de bodem gerold en afgerond tot gladde keien.

Detritisch (zandsteen)

Middelkorrelige sedimenten (0.063 - 2 mm) ontstaan door zandafzetting. Onderscheidbaar door voelbare korrelgrootte (voelt als schuurpapier).

Chemisch

Ontstaan door chemische precipitatie (neerslag) of evaporatie (indamping van water).

Organisch (Biogeen)

Gesteenten ontstaan uit de accumulatie en inkoling van organische plantenresten onder zuurstofarme condities. Herkenbaar aan diepzwarte koolstofkleur.

Detritisch (pelieten)

Zeer fijnkorrelige kleisedimenten (<0.002 mm). Onderscheidbaar door de aanwezigheid van drukgelaagdheid.

Compressie & Drukgelaagdheid

Kleisteen

Verharde klei zonder duidelijke splijtvlakken; breekt massief en onregelmatig af.

Schalie (Schiefer)

Onder gerichte lithostatische druk samengeperst tot dunne parallelle splijtbladen die makkelijk afbrokkelen.

Complete CatalogusSedimentair

Hoofdgroep 3

Metamorf Gesteente

Regionaal

Ontstaan vanuit sedimentaire gesteenten door een progressieve toename van druk en temperatuur tijdens gebergtevorming (orogenese).

Metamorfosegraad (Toenemende Druk & Temperatuur)

Zeer lage graad (Lage T & P)Hoge graad (Hoge T & P)
Zeer laag • Dof & strak
Laag • Golvend & zijdeglans
Middelmatig • Grote mica
Hoog • Lichte & donkere banden
Metamorfose Schematisch OverzichtTik op het schema voor schermvullende weergave

Sedimentair tot Metamorf Proces

1. Klei tot Kleisteen

Klei is een zeer fijnkorrelig sediment. Kleisteen ontstaat wanneer deze kleilagen verharden door compressie. (Sedimentair).

2. Kleisteen tot Schalie

Schalie is kleisteen dat verder is samengeperst en een duidelijke gelaagdheid vertoont. Het is relatief zacht en brokkelt makkelijk af. (Sedimentair).

3. Schalie tot Leisteen

Bij toename van druk en warmte ontstaat Leisteen. De kleimineralen verharden volledig tot strakke parallelle lagen. Leisteen is aanzienlijk harder en breekt moeilijker af dan schalie. (Metamorf).

4. Leisteen tot Fylliet

Waar leisteen nog strakke, evenwijdige lagen heeft, vertoont Fylliet door intensere metamorfose licht verbuigde of golvende lagen en krijgt het een zijdeachtige glans. (Metamorf).

5. Fylliet tot Schist

Schist vertoont een sterke foliatie (schistositeit) met duidelijk zichtbare micakristallen (glimmers) met het blote oog. Het gesteente is vaak schilferig. (Metamorf).

6. Schist tot Gneis

De ultieme fase van regionale metamorfose. Onder extreme druk scheiden mineralen zich in lichte en donkere banden. Gneis is veel harder dan schist. (Metamorf).

Overige Metamorfe Gesteenten

Contact (Hoornsteen)

Ontstaat door directe verhitting in contact met heet magma. Hoornsteen is herkenbaar aan een zeer fijne, glasachtige structuur en is extreem hard.

Marmer

Ontstaat door metamorfose van kalksteen onder druk en warmte. Onderscheidbaar door een suikerkristal-textuur. Net als kalksteen reageert marmer hevig (bruist) met verdund zoutzuur (HCl).

Kwartsiet

Ontstaat door metamorfose van kwartsrijke zandsteen. Onderscheidbaar door een zeer massieve textuur zonder losse korrels (de korrels zijn volledig aaneengesmolten).

Complete CatalogusMetamorf